De man in het water

Arie liep het café uit. “Careless whisper” klonk nog na in zijn oren.

Stom lied, dacht hij.
Hij liep met zijn tas in zijn hand naar de oude ijzeren brug. Zo’n spoorbrug die vervangen was door iets beters. Nu zonder rails. Nutteloos. Afgeschreven.

Op de brug deed hij zijn kleren uit, op zijn onderbroek na. Hij ging voorzichtig op de rand van de brug staan. Hij hield zich nog een beetje vast, maar na wat innerlijk overleg liet hij los. Hij stond met gespreide armen en met zijn ogen dicht. Jezus had het warmer. Dat wist hij zeker. Maar hoe kouder hij werd hoe sneller hij in het koude water stierf.

Al rillend en bibberend voelde hij zijn krachten afnemen. Zijn armen werden zwaar. Zijn dikke pens trilde zelfs. Hij keek strak naar voren. En wachtte.

Dan klikte er iets. Een snapje in zijn hersenen, die dat wat hij deed geen goed idee vond. Of beter, die vond dat wat hij deed niet met het eerste idee goed was. Het was niet goed om te vallen. Beter wat het om te ervaren wat er in zijn hoofd gebeurt.

Wat nou zinloos leven. Was elk leven niet zinloos? Was het dan ook niet zinloos om te beslissen om te stoppen met leven, omdat het niet was wat je er van verwacht had? Was het niet zinloos om iets te stoppen wat zinloos was? Was het dan niet zinniger om te stoppen met zinloos met je armen wijd in je blootje en je dikke buik op een ijzeren brug te staan?

Heel moeizaam stapte hij van de rand weg. Hij viel bijna maar weet zich de andere kant op te laten vallen op de brug. Het aantrekken van zijn broek en de rest van zijn kleren was een martelgang. Het vinden van de goede gaten was een uitdaging met zwaar bibberende handen en vingers zonder gevoel. Hij zag er vanaf om zijn veters te strikken en was al blij dat hij zijn schoenen aan kon doen.

Hij was al blij dat hij zijn schoenen aan kon doen!! Een paar minuten daarvoor was hij blij dat hij ging sterven. Hij hoorde de engelen al zingen!

Strompelend liep hij op weg naar huis. Langs de stille straten, het gesloten café. Zijn glimlach werd een grimas door het klapperen van zijn onderkaak. Maar probeer maar eens te glimlachen als je onderkaak niet wist hoe het stil moest staan en trilde. De glimlach leek meer op een morse signaal die een boodschap doorgaf. Helaas was er niemand op straat die er op kwam om dat te vertalen.

Toen hij uiteindelijk bij zijn huis aankomt stond hij stil.
“Ik ben mijn tas vergeten. Nou ja, ik ga niet meer terug.”
Hij tilt zijn hand omhoog om aan te bellen, maar in plaats daarvan valt hij zwaar tegen de deur. Het effect is een hele zware BONK.

Wat is het eerste wat je doet als je wakker wordt? Ogen open doen? Je teen wiebelen? Gek dat je dat niet weet toch? In het geval van Arie begon het leven weer met horen. Eerst een soort geruis en gesuis, daarna gemurmel en gemompel. Toen het besef dat hij iets hoorde. Ergens was er een lampje aan gegaan in de hersenen die het signaal van het ruisen doorgegeven had. Zijn reactie op iets horen ruisen was niet indrukwekkend. Toen kwam er een soort gesuis bij. Ook lastig voor te stellen dat hij eerst beseft iets te horen ruisen en daarna iets anders wat niet ruisen is maar suizen. Ergens in zijn hersenen ging een ingewikkeld proces aan de slag met het verschil tussen ruisen en suizen. Hij kwam er niet uit. Murmelen was het derde geluid. Er murmelde meerdere dingen om hem heen. Ik zou wel willen weten wie daar murmelt was de eerste concrete gedachte van Arie. Gelukkig werd het murmelen mompelen en konden zijn hersenen iets doen wat ze nog niet gedaan hadden. Woorden en klanken herkennen. En personen.

De eerste persoon was zijn vrouw.

“Zal ik Jaap bellen?” vroeg zijn vrouw. De herinneringen werden nu ingewikkeld. De herinnering aan zijn vrouw.
“Nog dikker dan ik, dacht hij.”
Toen werd het wat ingewikkeld om een goede herinnering te krijgen maar haar krassende door rook verpeste stem hielp. En Jaap kwam langzaam uit zijn sluimergedachten te voorschijn. Lul, was de eerste gedachte. Slijmbal, de tweede. Beter werd het niet.

De tweede persoon was zijn dochter.

“Doe maar nog even niet, mam. Jij vind hem misschien heel erg aardig en zo, maar hij niet. Zal ik een ambulance bellen?” zegt zijn dochter.

“Hmmm, wacht nog maar even. Zo meteen overleeft ie het nog” hoorde hij rochelen. Er liep iemand weg.

Stilte.

Van heel dichtbij hoorde hij nu geluister. Waarom fluisteren als je iemand iets wil zeggen? Een hoop woorden kwamen voorbij die niet doordrongen. Murmel, murmel leek het meer. gelukkig werd de stem wat duidelijker. Het was zijn dochter.

Luister pap, wat ik je ga zeggen weet nog niemand. Maar omdat je me toch niet kan horen, kan ik het jou wel vertellen. Je bent toch bijna dood.
Pa, ik ben …….
Nou, gewoon ….
Weet je die jongen nog, thuis?

Arie’s brein begon dingen bij elkaar op te tellen. Maar optellen was al weer van een tijdje geleden. Lastig. Daarbij was dit niet het type van 1+1. Meer van gebeurtenissen die bij elkaar tot iets anders leiden. Behoorlijk lastig als je hersenen nog niet opgewarmd zijn. Gelukkig praatte zijn dochter door.

Nou, die jongen was dronken als een tor.
Ik ook.
En echt, ik wist niet dat je dronken kon zijn en vr….
En nou ja. Van het een en het ander en zo.

Zwanger, klikten de hersenen van Arie.

Ik ben zwanger dus.

Trut, klikte de hersenen van Arie

Stilte bij de dochter.

Kleinkind, klikten de hersenen van Arie. En hij voelde iets wat je kon omschrijven als hormonen die opgestart werden.

Zijn hersenen registreerden voetstappen en een deur die werd gesloten.

Stilte.

En in de nacht van zijn hersenen werd het langzaam minder donker. Er knipperde iets wat oogleden heet en probeerde open te gaan. Hij voelde zijn tenen. Wat geheel niet fijn was aangezien ze tintelden. Pijn! Er rommelde iets ver onder hem. Buik? Zijn vingers bewogen zonder dat hij daar opdracht toe gegeven had. En langzaam werd het lijk zonder Arie, weer het lichaam van Arie.

Een week later keer Arie uit het café-raam.

Zijn vrouw was het huis uit. Hij had haar er niet eens uit hoeven schoppen. Het feit dat hij weer was begonnen te praten, was voldoende geweest. Zijn dochter had hij geknuffeld. Dat was voor beiden wennen. Lang geleden moet dat zijn geweest. Misschien toen hij haar nog liet plassen in de nacht. Hij had haar verteld dat hij met liefde opa werd. Dat het hem niet kon schelen hoe het heette als het maar geen Jaap was. Ze had geglimlacht. Dat was ook lang geleden. En nu keek hij naar zijn glas water. Vies spul. Hij keek naar de tas aan zijn voeten en de brug die daar buiten stond te roesten. En de paars gespoten kerstboom met groene ballen en knipperlichtjes op de bar.

Jezus, dacht hij. Ja. Ze zeggen dat Jezus stierf omdat hij voor andermans zonden moest boeten. Waarom stond ik daar dan? Ik wist het zo zeker? Zou hij aan het kruis getwijfeld hebben? Zou er een moment zijn geweest waarop Jezus besloot dat het wel genoeg zonden waren voor die dag? Hij zat natuurlijk vast. Voor hem was het niet zo makkelijk om een stap te zetten. Doordat Jezus daar stopte met dingen doen startte er iets anders.

Ik deed gewoon een stap naar achter. En nu heb ik een leven voor me. Het is goed. Een misstap moet niet altijd tot de dood lijden. Niet iedereen kan Jezus zijn. Niet iedereen sterft voor een kudde. En niet iedereen heeft de kans om opnieuw zichzelf uit te vinden. Zonde eigenlijk. Iedereen zou dat moeten doen.

Over lighans

Berijder van Quest nummer 1.
Dit bericht werd geplaatst in blijmakers, Uncategorized. Bookmark de permalink .

2 reacties op De man in het water

  1. Corn Dolly zegt:

    WOW! Ik ben sprakeloos, en dat ben ik niet snel.
    Super goed! Klaar voor DWDD….of toch maar niet.
    Dit zag ik niet aankomen. Ik wist niet dat het je in je had. We want more! More!😀

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s